Verdrag van Valetta

Verdragstekst Malta

Hieronder vindt u de tekst van het Verdrag van Malta. In 1992 tekenden een aantal Europese lidstaten dit Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Dat gebeurde in de hoofdstad Valletta van het eiland Malta. Vandaar dat nu over het Verdrag van Malta wordt gesproken of kortweg ‘Malta’.

Preambule
De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag en die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden is ten einde met name de idealen en beginselen die hun gemeenschappelijk erfgoed zijn te beschermen en te verwezenlijken;
Gelet op het Europees Cultureel Verdrag, ondertekend te Parijs op 19 december 1954, in het bijzonder de artikelen 1 en 5 daarvan; Gelet op het Verdrag inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa, ondertekend te Granada op 3 oktober 1985;

Gelet op het Europees Verdrag inzake delicten met betrekking tot cultuurgoederen, ondertekend te Delphi op 23 juni 1985;
Gelet op de aanbevelingen van de Parlementaire Vergadering met betrekking tot de archeologie, in het bijzonder Aanbevelingen 848 (1978), 921 (1981) en 1072 (1988);
Gelet op Aanbeveling nr. R (89) 5 inzake de bescherming en het beter tot zijn recht doen komen van het archeologische erfgoed in het kader van de stedenbouw en de landinrichting;

Eraan herinnerend dat het archeologische erfgoed van wezenlijk belang is voor de kennis van de geschiedenis van de mensheid; Erkennend dat het Europese archeologische erfgoed; dat getuigt van de oude
geschiedenis, ernstig met aantasting wordt bedreigd door het toenemende aantal grote ruimtelijke-ordeningsprojecten, risico's van natuurlijke aard, clandestiene of onwetenschappelijke opgravingen en onvoldoende besef onder het publiek; Bevestigend dat het van belang is, daar waar deze nog niet bestaan, passende bestuurlijke en wetenschappelijke toezichtsprocedures in te stellen, en dat de noodzaak
het archeologische erfgoed te beschermen tot uitdrukking behoort te komen in het beleid inzake stedenbouw en landinrichting en culturele ontwikkeling; Onderstrepend dat de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed niet alleen dient te berusten bij de rechtstreeks betrokken Staat, maar bij alle landen in Europa, met het oog op het beperken van het risico van aantasting en het
bevorderen van het behoud, door het stimuleren van uitwisseling van deskundigen en ervaring; Vaststellend de noodzaak de beginselen vervat in het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed, ondertekend te Londen op 6 mei 1 969, aan te vullen in verband met de evolutie van het ruimtelijke-ordeningsbeleid in de landen in Europa;

Zijn als volgt overeengekomen:
Omschrijving van het archeologische erfgoed

Artikel 1
1. Dit (herziene) Verdrag heer tot doel het archeologische erfgoed te beschermen als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie.
2. Hiertoe worden als bestanddelen van het archeologische erfgoed beschouwd alle overblijfselen, voorwerpen en anders sporen van de mens uit het verleden:
1. waarvan het behoud en de bestudering bijdragen tot het reconstrueren van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de natuurlijke omgeving;
2. ten aanzien waarvan opgravingen of ontdekkingen en andere methoden van onderzoek betreffende de mensheid en haar omgeving de voornaamste bronnen vaninformatie zijn; en
3. die zijn gelegen in een gebied vallende onder de rechtsmacht van de Partijen.
Verdragstekst Malta
3. Tot het archeologische erfgoed behoren bouwwerken, gebouwen, complexen, aangelegde terreinen, roerende zaken, monumenten van andere aard, alsmede hun context, ongeacht of zij op het land of onder water zijn gelegen.

Aanduiding van het erfgoed en beschermingsmaatregelen

Artikel 2
Iedere Partij verplicht zich ertoe, op een wijze die eigen is aan de betrokken Staat, een rechtsstelsel in te stellen voor de bescherming van het archeologische erfgoed, dat voorziet in:
1. het bijhouden van een inventarislijst van haar culturele erfgoed en de aanwijzing van beschermde monumenten en gebieden;
2. de vorming van archeologische reservaten zelfs op plaatsen waar geen zichtbare overblijfselen zijn op de grond of onder water, ter wille van het behoud van tastbaar bewijs voor bestudering door toekomstige generaties;
3. de verplichting voor de vinder om de toevallige ontdekking van bestanddelen van het archeologische erfgoed te melden aan de bevoegde autoriteiten en deze ter beschikking te stellen voor onderzoek.

Artikel 3
Met het oog op het behoud van het archeologische erfgoed en het waarborgen van de wetenschappelijke betekenis van het archeologisch onderzoek, verplicht iedere Partij zich ertoe:
1. 1. procedures toe te passen voor de verlening van vergunningen voor en het toezicht op opgravingen en andere archeologische activiteiten, ten einde:
a. het illegaal opgraven of verwijderen van bestanddelen van het archeologische erfgoed te voorkomen;
b. te waarborgen dat archeologische opgravingen en onderzoeken op wetenschappelijke wijze worden verricht, met dien verstande dat:
1. zoveel mogelijk non-destructieve onderzoeksmethoden worden toegepast; methods of investigation are applied wherever possible;
2. bestanddelen van het archeologische erfgoed gedurende of na de opgravingen niet blootgelegd en onafgeschermd blijven liggen zonder dat deugdelijke voorzieningen zijn getroffen voor het behoud, de
conservering of het beheer daarvan;
2. 2. te waarborgen dat opgravingen en andere mogelijk tot vernietiging leidende technieken uitsluitend worden uitgevoerd door bekwame en speciaal daartoe bevoegde personen;
3. 3. het gebruik van metaaldetectors en andere detectie-apparatuur of werkwijzen voor archeologisch onderzoek te onderwerpen aan speciale voorafgaande machtiging wanneer het nationale recht van de Staat daarin voorziet.

Artikel 4
Iedere Partij verplicht zich ertoe maatregelen toe te passen voor de fysieke bescherming van het archeologische erfgoed door, naar gelang de omstandigheden, zorg te dragen voor:
1. de verwerving, of de bescherming door middel van andere passende middelen, door de overheid van gebieden bestemd om archeologische reservaten te vormen;
2. de conservering en instandhouding van het archeologische erfgoed, bij voorkeur in situ;
3. het gebruik van metaaldetectors en andere detectie-apparatuur of werkwijzen voor archeologisch onderzoek te onderwerpen aan speciale voorafgaande machtiging wanneer het nationale recht van de Staat daarin voorziet.

Geïntegreerd behoud van het archeologische erfgoed

Artikel 5
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
1. te streven naar afstemming en overeenstemming tussen de onderscheiden behoeften van de archeologie en de ruimtelijke ordening door erop toe te zien dat archeologen worden betrokken bij:
a. het planningsbeleid, ten einde te komen tot evenwichtige strategieën voor de bescherming, het behoud en het beter tot hun recht doen komen van plaatsen van archeologisch belang;
b. de verschillende fasen van ontwikkelingsprojecten;
2. te waarborgen dat archeologen, stedebouwkundigen en planologen stelselmatig met elkaar overleggen ten einde te komen tot:
a. wijziging van ontwikkelingsplannen die het archeologische erfgoed zouden kunnen aantasten;
b. toewijzing van voldoende tijd en middelen om passend wetenschappelijk onderzoek van de vindplaatsen te verrichten om de resultaten daarvan te
publiceren;
3. te waarborgen dat milieu-effectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen ten volle rekening houden met archeologische vindplaatsen en hun context;
4. zorg te dragen, wanneer bestanddelen van het archeologische erfgoed zijn gevonden gedurende bouwwerkzaamheden, voor het behoud daarvan, zo mogelijk in situ;
5. te waarborgen dat de openstelling van archeologische vindplaatsen voor het publiek, met name de nodige voorzieningen voor het opvangen van grote aantallen bezoekers, het archeologische en wetenschappelijke karakter van die plaatsen en hun omgeving niet aantast.

De financiering van archeologisch onderzoek en behoud

Artikel 6
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
1. te zorgen voor financiële steun voor archeologisch onderzoek van nationale, regionale en plaatselijke overheden overeenkomstig hun onderscheiden bevoegdheden;
2. de materiële middelen voor archeologisch noodonderzoek te doen toenemen:
a. door passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij grote particuliere of openbare ontwikkelingsprojecten de totale kosten van eventuele noodzakelijke daarmee verband houdende archeologische verrichtingen worden gedekt door gelden afkomstig uit de overheids- of de privé-sector, al naar gelang;
b. door in de begroting voor deze projecten een post op te nemen - op dezelfde wijze als voor onderzoeken naar de effecten, noodzakelijk uit zorg voor het milieu en de ruimtelijke ordening - voor voorafgaande archeologische studies en onderzoeken, voor beknopte wetenschappelijke verslagen, alsmede voor de volledige publikatie en registratie van de bevindingen.

Verzameling en verspreiding van wetenschappelijke informatie

Artikel 7
Ter vergemakkelijking van de bestudering van, en de verspreiding van de kennis over, archeologische vondsten, verplicht iedere Partij zich ertoe:
1. onderzoeken, inventarisaties en kaarten betreffende archeologische vindplaatsen in de onder haar rechtsmacht vallende gebieden tot stand te brengen of bij te werken;
2. 2. alle praktische maatregelen te treffen gericht op de opstelling, na afloop van de archeologische verrichtingen, van een publiceerbaar beknopt wetenschappelijk verslag voorafgaand aan de noodzakelijke volledige publikatie van de specialistische studies.

Artikel 8
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
1. de uitwisseling van bestanddelen van het archeologische erfgoed op nationale en internationale schaal te bevorderen voor vakwetenschappelijke doeleinden, daarbij passende maatregelen nemend om te waarborgen dat dit verkeer de culturele en wetenschappelijke waarde van die bestanddelen op generlei wijze aantast;
2. de uitwisseling van informatie betreffende lopende archeologische onderzoeken en opgravingen te stimuleren en bij te dragen tot het organiseren van internationale onderzoeksprogramma's.

Bewustmaking van het publiek

Artikel 9
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
1. voorlichtingscampagnes te voeren om bij het publiek besef te kweken en te ontwikkelen van de waarde van het archeologische erfgoed voor het begrip van het verleden en de bedreigingen voor dit erfgoed;
2. 2. de toegang van het publiek tot belangrijke bestanddelen van het archeologisch erfgoed, met name vindplaatsen, te bevorderen en het tentoonstellen aan het publiek van geselecteerde archeologische voorwerpen te stimuleren.

Voorkoming van illegaal verkeer van bestanddelen van het archeologische erfgoed

Artikel 10
Iedere Partij verplicht zich ertoe:
1. te regelen dat de desbetreffende overheden en wetenschappelijke instellingen informatie uitwisselen over ontdekte illegale opgravingen;
2. de bevoegde instanties in de Staat van oorsprong die Partij is bij dit (herziene) Verdrag in kennis te stellen van elk verdacht aanbod dat vermoedelijk afkomstig is uit illegale opgravingen of verduistering bij officiële opgravingen, en daarbij alle noodzakelijke bijzonderheden te verstrekken;
3. de noodzakelijke stappen te ondernemen om te waarborgen dat musea en soortgelijke instellingen waarvan het aankoopbeleid aan staatstoezicht is onderwerpen, geen bestanddelen van het archeologische erfgoed aankopen waarvan wordt vermoed dat deze afkomstig zijn uit ongecontroleerde vondsten, illegale opgravingen of verduistering bij officiële opgravingen;
4. ten aanzien van musea en soortgelijke instellingen op het grondgebied van een Partij waarvan het aankoopbeleid niet aan staatstoezicht is onderworpen:
a. de tekst van dit (herziene) Verdrag aan hen te doen toekomen;
b. alles in het werk te stellen om te waarborgen dat genoemde musea en instellingen de in het derde lid hierboven verwoorde beginselen eerbiedigen;
5. de overdracht van bestanddelen van het archeologische erfgoed afkomstig uit ongecontroleerde vondsten, illegale opgravingen of verduistering bij officiële opgravingen zoveel mogelijk te beperken door middel van voorlichting, informatie, waakzaamheid en samenwerking.

Artikel 11
Geen enkele bepaling van dit (herziene) Verdrag doet afbreuk aan bestaande of toekomstige bilaterale of multilaterale verdragen tussen Partijen inzake illegaal verkeer van bestanddelen van het archeologische erfgoed of teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar.

Wederzijdse technische en wetenschappelijke bijstand

Artikel 12
De Partijen verplichten zich ertoe:
1. wederzijdse technische en wetenschappelijke bijstand te verlenen door middel van uitwisseling van ervaringen en deskundigen op gebieden die verband houden met het archeologische erfgoed;
2. overeenkomstig de desbetreffende nationale wetgeving of internationale overeenkomsten waardoor zij zijn gebonden, de uitwisseling te stimuleren van specialisten op het gebied van het behoud van het archeologische erfgoed, met inbegrip van specialisten op het gebied van de nascholing.

Toetsing van de toepassing van dit (herziene) Verdrag
Artikel 13
Ten behoeve van dit (herziene) Verdrag wordt een commissie van deskundigen, ingesteld door het Comité van Ministers van de Raad van Europa ingevolge artikel 17 van het Statuut van de Raad van Europa, belast met toetsing van de toepassing van dit (herziene) Verdrag; zij doet in het bijzonder:
1. regelmatig verslag aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa over de stand van zaken met betrekking tot het beleid inzake de bescherming van het archeologische erfgoed van de Staten die Partij zijn bij dit (herziene) Verdrag en met betrekking tot de toepassing van de in dit (herziene) Verdrag neergelegde beginselen;
2. voorstellen van maatregelen aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, gericht op de uitvoering van de bepalingen van dit (herziene) Verdrag, waaronder multilaterale activiteiten, herziening of wijziging van dit (herziene) Verdrag en voorlichting aan het publiek over het doel van dit (herziene) Verdrag;
3. aanbevelingen aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa betreffende uitnodigingen aan Staten die geen lid zijn van de Raad van Europa, om tot dit (herziene) Verdrag toe te treden.

Slotbepalingen
Artikel 14
1. Dit (herziene) Verdrag staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard, of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
2. Geen enkele Staat die partij is bij het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologische erfgoed, ondertekend te Londen op 6 mei 1969, kan zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederleggen indien die Staat niet eerst genoemd Verdrag heeft opgezegd of dit tegelijkertijd opzegt.
3. Dit (herziene) Verdrag treedt in werking zes maanden na de datum waarop vier Staten, waaronder ten minste drie Lidstaten van de Raad van Europa, hun instemming door dit (herziene) Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht in overeenstemming met de bepalingen van de voorgaande leden.
4. Wanneer ingevolge de twee voorgaande leden de opzegging van het Verdrag van 6 mei 1969 niet tegelijkertijd van kracht wordt met de inwerkingtreding van dit (herziene) Verdrag, kan een Verdragsluitende Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat hij het Verdrag van 6 mei 1969 zal blijven toepassen tot de inwerkingtreding van dit (herziene) Verdrag.
5. Ten aanzien van een Staat die dit (herziene) Verdrag heeft ondertekend en die zijn instemming hierdoor te worden gebonden later tot uitdrukking brengt, treedt het in werking zes maanden na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 15
1. Na de inwerkingtreding van dit (herziene) Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere andere Staat die geen lid is van de Raad van Europa, alsmede de Europese Economische Gemeenschap, uitnodigen tot dit (herziene) Verdrag toe te treden, zulks bij een besluit genomen met de meerderheid voorzien in artikel 20, letter d, van het Statuut van de Raad van Europa en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten die het recht hebben in het Comité van Ministers zitting te hebben.
2. Ten aanzien van een toetredende Staat of de Europese Economische Gemeenschap, mocht deze toetreden, treedt dit (herziene) Verdrag in werking zes maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 16
1. Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het gebied of de Verdragstekst Malta gebieden aangeven waarop dit (herziene) Verdrag van toepassing zal zijn.
2. Iedere Staat kan te allen tijde daarna, door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit (herziene) Verdrag uitbreiden tot een ander in die verklaring genoemd gebied. Ten aanzien van dat gebied treedt het (herziene) Verdrag in werking zes maanden na de datum van ontvangst van die verklaring door de Secretaris-Generaal.
3. Een krachtens de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan, ten aanzien van een in die verklaring genoemd gebied, worden ingetrokken door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal. De intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 17
1. Een Partij kan dit (herziene) Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

Artikel 18
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten die partij zijn bij het Europese Culturele Verdrag en iedere Staat, of de Europese Economische Gemeenschap, die tot dit Verdrag is toegetreden of is uitgenodigd daartoe toe te treden in kennis van:
1. iedere ondertekening;
2. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
3. iedere datum van inwerkingtreding van dit (herziene) Verdrag overeenkomstig de artikelen 14, 15 en 16;
4. iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling die betrekking heeft op dit (herziene) Verdrag. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit (herziene) Verdrag hebben ondertekend. GEDAAN te Valetta op 16 januari 1992 in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in één exemplaar, dat zal worden nederlegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet voor eensluidend gewaarmerkte afschriften toekomen aan alle Lidstaten van de Raad van Europa, de andere Staten die partij zijn bij het Europees Cultureel Verdrag en aan iedere Staat die geen lid is, dan wel de Europese Economische Gemeenschap, die is uitgenodigd tot dit (herziene) Verdrag toe te treden.